Optimale trapfrequentie wielrenners

70 jaar geleden presenteerde Archibald Vivian Hill de resultaten van het eerste onderzoek naar het verband tussen spierkracht en de snelheid waarmee deze kracht geleverd dient te worden. Wat bleek? Hoe sneller de spier moest samentrekken, des te minder kracht kan ze leveren. Hoewel het onderzoek (in vitro) geïsoleerd spierweefsel betrof ligt het aan de basis van de trapfrequentie waarmee wielrenners vandaag over de weg racen.

Wanneer een wielrenner sneller trapt, wil dit zeggen dat de spieren in zijn benen sneller achtereen afwisselend dienen samen te trekken en weer te ontspannen. Omdat bewegingssnelheid ten koste gaat van de krachtoutput, lijkt het logisch te veronderstellen dat het handiger is om een eerder groot verzet te kiezen en traag te trappen tijdens het fietsen.

trapfrequentie

Wat evenwel bepalend is voor de snelheid waarmee je kunt fietsen is het vermogen dat gedefinieerd is als het product van de bewegingssnelheid en de geleverde kracht. Onderzoek op fietsergometers waarmee de trapsnelheid opgelegd kan worden, leert dat de optimale trapfrequentie daalt als de duur van de opgelegde inspanning toeneemt. Voor korte sprints van vijf tot tien seconden bedraagt ze ongeveer 130 toeren per minuut, terwijl ze voor inspanningen van een uur zakt tot ongeveer 100 toeren per minuut. Niet toevallig werden bijna alle uurrecords verreden met een trapfrequentie van ongeveer 100 toeren per minuut.

Bronnen:
Erwin Koninckx, Burgerlijk Ingenieur en Licentiaat in de Motorische Revalidatie, Katholieke Universiteit Leuven
http://www.fietsica.be/de_ideale_cadans.htm


<-- terug